jezelf een vraag stellen
daarmee begint verzet

en dan die vraag aan een ander stellen

~ Remco Campert

donderdag 25 februari 2010

De kunst om het zekere weten te voorkomen

Een tijdje terug probeerde ik onder woorden te brengen wat ik versta onder vroomheid, een woord dat bij velen in de eerste plaats de associatie met een soort religieuze braafheid lijkt op te roepen, maar dat voor mij iets heel anders betekent. Zoiets als liefdevolle aandacht voor de dingen. Een soort bewonderende verwondering over het gegeven dat ze er zijn, en over de manier waarop ze zich voordoen.

Op zoek naar een afbakening van een begrip helpt het soms om te bedenken wat er het tegenovergestelde van zou zijn. Het tegenovergestelde van vroomheid zoals ik die begrijp is - denk ik - gedachteloosheid. Je kunt zonder enig probleem leven en handelen zonder je ooit af te vragen waarom je de dingen doet zoals je ze doet. Je kunt de dingen die je nodig hebt gebruiken zonder werkelijk tot je door te laten dringen dat ze er zijn of hoe ze zijn.

Zo kun je bijvoorbeeld werken in het onderwijs zonder je er rekenschap van te geven of zelfs maar af te vragen wat je onder onderwijs verstaat, of wat volgens jou kenmerkend is voor de relatie tussen volwassenen en kinderen, of wat jouw verantwoordelijkheid is als onderwijzer. Gedachteloos. Alsof alles vanzelf spreekt.

Vroomheid is zoiets als beantwoorden aan het beroep dat de dingen op je doen. Je afvragen op grond van welke onuitgesproken veronderstellingen je doet wat je doet. De gesloten cirkel van vanzelfsprekendheden openbreken en de sprong wagen. Voor mogelijk houden dat de dingen anders zijn dan je dacht. Zorgvuldigheid.

Volgens Cornelis Verhoeven is wijsbegeerte de kunst om het zekere weten te voorkomen. Misschien zou je kunnen zeggen dat wijsbegeerte een oefening in vroomheid is.

vrijdag 19 februari 2010

Nieuwkomers

De wereld is al heel oud, maar steeds komen er nieuwe mensen bij die de wereld voor het eerst zien. Als volwassene kun je je bijna niet meer indenken hoe het geweest moet zijn toen je voor het eerst in de wereld werd rondgeleid. De meeste volwassenen vergeten het, ook in hun omgang met kinderen. Dat is wat ik mooi vind aan werken in het onderwijs: dat je je er steeds bewust van moet zijn dat de kinderen met wie je werkt nog maar pas in de wereld zijn.

Kinderen zijn nieuwkomers in de wereld. Grote mensen die de weg weten, hebben de opdracht hen erin rond te leiden en te vertellen over alles wat de mensen in de afgelopen duizenden jaren bedacht en gemaakt hebben om met de wereld om te gaan. Ouders omgeven hun kinderen met liefde, warmte, aandacht en geborgenheid, en geven hen eten en drinken, een huis en kleren. Thuis maken kinderen kennis met de nabije dingen door ermee om te gaan en door mee te doen. De mensen op school onderwijzen hen in wat er allemaal te weten valt en wat allemaal handig is om te kunnen.

Het is handig om te kunnen lezen en schrijven en tellen en rekenen. Het is fijn om de taal zodanig in de vingers te hebben dat je kunt uitdrukken wat je bedoelt zodat een ander je begrijpt, zodat jij ook anderen kunt begrijpen. Op school leer je ook dat de wereld ouder is dan jij en ouder dan je ouders en grootouders, en dat de wereld groter is dan dat stukje dat jij er al van hebt gezien. En dat het er in andere tijden en op andere plaatsen heel anders uitzag en -ziet dan je gewend bent.

Als kinderen pas leren rekenen, tellen ze eerst met kralen of blokjes, later tellen ze op hun vingers, dan met cijfersymbolen op papier, en nog weer later kunnen ze zonder hulpmiddelen hoofdrekenen. Ze leggen een weg af van concreet naar abstract denken. Zo’n verschil is er ook tussen de manier waarop je thuis leert en op school. Thuis leer je van alles door mee te gaan in de kennelijke vanzelfsprekendheden van alledag, door mee te doen met eten, wassen, kleden en andere huishoudelijkheden. Op school leer je niet zozeer langs de weg van de concrete ervaring, maar leer je op een abstracter manier, over dingen die je niet kunt leren door louter mee te doen met de grote mensen. Dingen waarin je daadwerkelijk onderwezen moet worden om ze te leren, zoals lezen en schrijven en rekenen en aardrijkskunde, geschiedenis en natuurkennis.

Er zijn mensen die vinden dat het onderwijs op school zo dicht mogelijk bij de ervaring moet blijven, dat kinderen bij wijze van spreken zo lang mogelijk met kralen moeten blijven tellen. Dat het leren op school zoveel mogelijk zou moeten lijken op het leren thuis, door om te gaan met de dingen in een betekenisvolle context. Steeds meer scholen richten hun onderwijs daarop in, onder de noemer ‘ontwikkelingsgericht onderwijs’. Ik probeer te begrijpen wat deze mensen daartoe beweegt.

dinsdag 2 februari 2010

Kennisoverdracht

Enige dagen na een sollicitatiegesprek op een basisschool word ik gebeld met de mededeling dat de keuze niet op mij gevallen is. De directeur is gestruikeld over het belang dat ik hecht aan kennisoverdracht. Hij noemt het woord - dat hij tussen duim en wijsvinger en met afgewend gezicht van zich afhoudt - in een zin die suggereert dat hechten aan kennisoverdracht op de een of andere manier tegengesteld is aan - of zelfs onverenigbaar met - "iets hebben met kinderen".

Ik geloof dat kinderen het verdienen om les te krijgen van volwassenen die het plezier in het ontdekken van de wereld niet verloren zijn. Volwassenen die het vergaren van kennis als een lust ervaren en met hun enthousiasme de kinderen meevoeren langs alles wat er maar te weten valt. Ik geloof dat ik kinderen wat dat aangaat iets te bieden heb dat hen in het onderwijs nog wel eens onthouden wordt. Dat is wat ik heb willen zeggen toen ik zei dat onderwijs voor mij in belangrijke mate een kwestie van kennisoverdracht is.

Ik heb er ook mee willen uitdrukken dat ik mij distantieer van het soort psychopedagogie dat de laatste jaren gangbaar is geworden, waarbij men ervan uit lijkt te gaan dat het zielig is om kinderen te belasten met kennisoverdracht, en waar onevenredig veel tijd en energie wordt gestoken in het garanderen van veiligheid en welbevinden. Natuurlijk zijn veiligheid en welbevinden belangrijk, maar ik geloof niet in een pedagogie die daar het hele programma op inricht. Kinderen zijn over het algemeen krachtige, veerkrachtige wezens die een onverzadigbare honger naar kennis hebben en alles willen weten wat er maar over de wereld te weten valt.

Onderwijs zou in mijn optiek gericht moeten zijn op kennisoverdracht. Het is aan de ouders te zorgen voor een veilige gehechtheid die maakt dat hun kinderen opgewassen zijn tegen de gepaste druk die het schoolleven op hen uitoefent. Ik ben me er terdege van bewust dat ouders daarin nog wel eens tekortschieten, en een hartelijke leerkracht kan in zo'n geval een hele troost zijn voor een kind, maar het biedt geen rechtvaardiging voor de uitholling van de opdracht van het onderwijs als zodanig. Die opdracht luidt: kennisoverdracht.

Verder zei de directeur dat ik hem meer iemand voor onderzoek toescheen. Ik zal niet ontkennen dat ik veel nadenk over het onderwijs en de daarin gangbare gebruiken en opvattingen voortdurend bevraag op hun geldigheid. Het is mijn intellectuele geweten dat me daartoe noodzaakt. Maar dat staat op geen enkele manier in de weg dat ik tegelijkertijd ook een warmbloedige, invoelende juf ben met hart voor kinderen en een passie voor onderwijs, niet als theoretische maar als praktische aangelegenheid, in de klas, met de kinderen.

Men zal toch niet willen beweren dat onafhankelijkheid van geest bij voorbaat ongeschikt maakt voor de praktijk van het onderwijs?